Artikelen

Waarom reiskostenvergoeding?

 

AMSTERDAM - Waarom zou de ene belastingbetaler de ander een ‘vergoeding’ geven voor zijn of haar reiskosten? Door de jaren heen wordt daar verschillend gedacht. Oorspronkelijk bestond er geen reiskostenvergoeding voor particulieren die met de auto naar het werk gingen. Dat veranderde in 1964 toen een meerderheid in de Tweede Kamer voor de aftrek van de reiskostenvergoeding stemde.

 

DUITSE BEZETTING

Tijdens de Duitse bezetting werd in 1941 een nieuw belastingstelsel in ons land ingevoerd. Zakelijke rijders kregen hierdoor compensatie voor de gemaakte kosten van het autorijden voor de zaak. Over het privé gebruik moest kort na de oorlog inkomstenbelasting worden betaald. Particulieren kregen geen vergoeding voor de gemaakte reiskosten van het woon-werkverkeer. De belastingdienst redeneerde dat de een hield van uit eten gaan, de ander van boeken lezen en weer een ander van autorijden. Wat iemand met zijn inkomen deed, dat moest men zelf weten. Het werd daarom vanzelfsprekend gevonden, dat particulieren de kosten van het autorijden zelf betaalden. Ook al reden zij met de auto naar het werk. Dit gold overigens ook voor treinreizigers, die de kosten van bijvoorbeeld een abonnement niet konden aftrekken van de belastingen. In jaren vijftig besliste de Hoge Raad echter dat werknemers in bepaalde omstandigheden een tegemoetkoming konden krijgen in de kosten van het woon-werkverkeer. De belastingdienst kon in bijzondere gevallen rekening houden met gemaakte reiskosten.

 

FISCAAL BELEID

Midden jaren zestig maakte de economie een snelle groei door en nam de krapte op de arbeidsmarkt toe. Vanwege de woningnood was niet iedereen in staat dicht bij het werk te wonen en/of bereid naar een nieuwe werkplek te verhuizen. Tegelijk nam het autobezit in ons land onder de middeninkomens toe en streefde de overheid naar meer spreiding van woonkernen. In 1964 veranderde het centrumrechtse kabinet Marijnen de loon- en inkomstenbelasting. Staatssecretaris van Financiën dr. W.H. van den Berge (partijloos) voelde er niet veel voor om de aftrekbaarheid van de reiskosten te vergroten. Hij vond dat alleen zakelijk gemaakte autokosten aftrekbaar mochten zijn. Daarnaast was hij van mening dat het fiscale beleid niet dienstbaar mocht worden gemaakt aan het gevoerde spreidingsbeleid. De keuze van de woonplaats van werknemers mocht volgens hem niet door een fiscaal beleid worden beïnvloed. Bovendien zou de belastingdienst hierdoor circa 60 miljoen gulden derven. Dit liep later op tot het tienvoudige daarvan begin jaren negentig.

 

TER DISCUSSIE

Een meerderheid in de Tweede Kamer van ARP, CHU, KVP (later vormden zij het CDA) en VVD dacht hier anders over. De reiskosten van het woon-werkverkeer werden als forfaitaire aftrekpost in de wet opgenomen. Mede door de wijziging van de belastingwetgeving, nam het woon-werkverkeer met de auto sterk toe. In 1960 maakte 93 procent van de forenzen gebruik van het openbaar vervoer, brommer of fiets. Slechts 7 procent van de forenzen gebruikte een auto. In 1971 reisden al meer dan de helft van de forenzen met de auto naar het werk. Met name de hogere inkomensgroepen hadden voordeel van de regeling. Zij reisden niet alleen het meest met een auto op en neer naar het werk, maar ook over de grootste afstanden. De lagere inkomensgroepen profiteerden het minst, omdat zij dichter bij het werk woonden en vaker met andere middelen van vervoer naar het werk reisden. Eind jaren tachtig kwam de regeling voor het eerst ter discussie te staan. Dit omdat de regeling het autoverkeer stimuleerde en het als een ongewenste ‘subsidie’ werd beschouwd. Politici vroegen zich toen af waarom het woon-werkverkeer fiscaal aftrekbaar zou moeten zijn.

 

Bron: telegraaf.nl